Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan dit grondwetsartikel is uitvoering gegeven bij de wet van 12 December 1892 (Stbl. n°. 268), op het Nederlanderschap en het ingezetenschap. Zie ook art. 9 der consulaire wet, van 2o Juli 1871 (Stbl. n°. 91) en sedert gewijzigd, • hetwelk inhoudt dat, voor de toepassing dezer wet, met Nederlanders worden gelijk gesteld zij, die, overeenkomstig de Staatsverdragen of het gebruik, onder de bescherming staan van een Nederlandsch gezantschap of van Nederlandsche consulaten.

Art. 16 der gemelde wet van 1892 luidt: „ De bepalingen van ingezetenschap, in bijzondere wetten voorkomende, gelden alleen voor zooveel betreft de onderwerpen, in die wetten behandeld". Men zie voor die bepalingen art. 17 der Provinciale wet, art. 19 der Gemeentewet, art. 1 der wet op het recht van successie en van overgang, art. 2 der wet betrekkelijk de afgifte van zeebrieven en vergunningen tot het voeren der Nederlandsche vlag, en art. 15 der Militiewet 1901.

Art. 7.

Niemand heeft voorafgaand verlof noodig, om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

Gw. 1848 art. 8. Was gelijkluidend.

Mr. Buys schat den waarborg dat vrijheid van drukpers duurzaam aan het Nederlandsche volk zal toebehooren, enkel op grond van dit artikel, gering. „Ons artikel verbiedt wat in den tegenwoordigen tijd bij beschaafde volken zich zelf verbiedt, namelijk wederinvoering van de censuur, en niets meer. Maar omdat men dus stellig beveiligd is tegen het preventieve toezicht, in die censuur opgesloten, is daarom de vrijheid van drukpers verzekerd? Men denke slechts om ontkennend te kunnen antwoorden, aan zoovele vernuftige middelen, welke wij tot voor korten tijd in naburige staten ter beteugeling van de drukpers zagen aangegrepen: aan het Fransche stelsel van de officieele waarschuwingen, aan het verbod om dagbladen en

Sluiten