Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afhankelijk stelt van het goedvinden des Burgemeesters, niet in strijd met grondwet of wet '). Doch deze algemeenheid lijdt dunkt mij toch uitzondering voor het onderwerpelijke geval. Want niet te ontkennen is het dat eene bepaling die de publicatie van eenig stuk, het moge dan zijn in het belang der openbare orde, doet afhangen van het verlof van den Burgemeester, medebrengt dat het meer of minder bemoeilijken der publicatie afhankelijk kan wezen van zijn oordeel omtrent den inhoud van ieder stuk afzonderlijk; censuur, zij het ook in ruimeren zin. — Uit dezen hoofde meen ik dat men het arrest van ons hoogste rechtscollegie juist moet achten.

Maar indien nu verboden werd het venten of te koop aanbieden , niet in het bijzonder van gedrukte stukken, maar in het algemeen van voorwerpen of waren van welken aard ook, zonder verlof van den Burgemeester of wel van Burgemeester en Wethouders, zou ook dan die verbodsbepaling in strijd moeten worden geacht met art. 7 der Grondwet?

De Hooge Raad heeft in bevestigenden zin geantwoord bij arresten van 1 November 1897 en 5 December 1898, W. v. h. R. nos. 703(5 en 7213; hij oordeelde nl. dergelijke bepaling onverbindend in zoover gedrukte stukken betreffende. Bij het eerste van deze 2 arresten had de H. R. nog te overwegen of de strijd tegen art. 7 niet werd opgeheven door de toegevoegde bepaling dat voor ingezetenen der gemeente geen verlof noodig was, waardoor als strekking van het verbod kenbaar werd het te keer gaan van vei'momde bedelarij. De advocaat-generaal Mr. Gregory had, ook op dezen grond, betoogd dat het verbod met art. 7 bestaanbaar was, maar de Hooge Raad deelde deze meening niet, en verklaarde dus de bepaling onverbindend in zoover ze den niet-ingezetenen der gemeente verbood, zonder verlof van Burgemeester en Wethouders eenig drukwerk te venten. Dit arrest, de strekking der verbodsbepaling niet achtende, gaat zeker heel ver in zijn ontzag voor art. 7 Gw.; toch kan worden toegegeven dat het ligt in de lijn der eens

1) Aoor de kwestie: Burgemeester en Wethouders of Burgemeester alleen, zie laatste gedeelte der aanteekening op art. 69.

Sluiten