Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door den H. R. aanvaarde jurisprudentie. En hetzelfde geldt van het recente arrest van 26 Mei 1902 waarbij, met handhaving van een vonnis van het kantongerecht te Groningen dd. 5 Februari 1902, W. v. h. R. n°. 7744, onverbindend werd verklaard art. 116 al. 1 van het Reglement van politie voor de gemeente Groningen, houdende verbod, zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders aan de straat eenige aanplakking te doen of te laten doen op eene plaats, die niet door hen daartoe is aangewezen en bij openbare afkondiging bekend gemaakt.

Maar buiten die lijn zou m. i. liggen een eventueel ontslag van rechtsvervolging, overeenkomstig de conclusie, dd. 26 Mei 1902, van den advocaat-generaal Mr. Ort, ter zake overtreding van art. 26a der Tilburgsche Politieverordening, luidende: „ Het is verboden aan anderen dan die daartoe door Burgemeester en Wethouders zijn aangesteld, biljetten, drukwerken of geschriften op plaatsen aan of langs de openbare straat aau te plakken of vast te hechten." In dit voorschrift toch kan ik geen verband zien gelegd tusschen den inhoud van eenig bepaald stuk en het verlof tot publicatie, en het zou mij derhalve niet verrassen als de H. R., in afwijking van de conclusie van Mr. Ort, de bepaling niet strijdig achtte met art. 7 der Grondwet ').

Waar men niet te doen heeft met de verspreiding van geschriften, daar vindt art. 7 geen toepassing. Mr. Heemskerk merkt dan ook op (De Praktijk onzer Grondwet, I, blz. 21): „De woorden door de drukpers in artikel 8 (oud) hebben een beperkenden zin. Daarom is bij de behandeling der Gemeentewet de praeventieve tooneelcensuur zonder tegenspraak aangenomen (art. 188)."

1) Het blijkt mij — nog juist voor den afdruk van dit vel — dat de H. K., in zijn arrest van 23 Juni 190*2, bedoeld art. 26a, voorzoover bij het bestreden vunnis toegepast, niet met art. 7 Gw. in strijd heeft geacht, maar.... alleen op grond dezer nieuwe overweging, dat aankondigingen van verkoopingen, uit haar aard, waar zooals hier het tegendeel niet blijkt, niet behooren tot die voortbrengselen der drukpers, waardoor, volgens de uitdrukking der Grondwet, gedachten of gevoelens worden geopenbaard.

De H. R. onderscheidt dus tusschen drukwerken waarin al dan niet een gedachte of gevoelen is neergelegd. Eene nog al bedenkelijke onderscheiding, zou ik ineenen; welke hersenfunctie is ongeveer noodig voor een gedachte of gevoelen?

Sluiten