Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Naar aanleiding van een in het Weekblad van het Hecht n°. 6238, ingezonden stuk, werd daaraan de volgende beschouwing der redactie toegevoegd:

-Wij zijn het geheel eens met den geachten inzender en met Prof. Buys , dat het recht van petitie, gewaarborgd in art. 8 Gw.. is een zuiver politiek recht, dat niets te maken heeft met verzoeken om in het genot te worden gesteld of gehandhaafd van eenig door de wet erkend recht of gebruik te maken van eenige door de wet gegeven bevoegdheid, tot de regeering of tot eenige administratieve of rechterlijke autoriteit gericht. Zoo wil het er, oin slechts een paar voorbeelden te noemen, bij ons niet in, dat verzoeken om gratie of om erkenning eener vereeniging als rechtspersoon door goedkeuring harer statuten vallen onder het bereik van art. 8 (tw. Het departement van justitie denkt daarover echter sedert eenige jaren anders, en dit geeft te meer aanleiding tot moeilijkheden, omdat bij dat departement ook ingang heeft gevonden de bij de beide Kamers der Staten-Generaal geldende leer. dat volgens art. 9 der grondwet en de wet van 22 April 1855 (Stbl. n°. 32) wettig bestaande vereenigingen geen gebruik mogen maken van het recht van petitie, indien zij, onder die wet opgericht, niet krachtens hare voorschriften zijn erkend als rechtspersoon, dat is als bekwaam tot uitoefening van burgerlijke rechten als eenheid, als corporatie op eigen naam.

„ Maar hoe moet het nu in deze leer, mede op afdoende gronden bestreden door Prof. Buys (I, blz. 75 vgg., III. bl. 21 vgg.). gaan met de verzoeken zelve van vereenigingen om erkenning? Ziedaar een casus diabolicus. Om erkenning te vragen moet de vereeniging erkend zijn, maar als zij erkend is, dan heeft zij geen erkenning meer noodig en kan zij die ook niet meer verkrijgen. Non bis in idem. Hoe redt men zich uit deze moeilijkheid? Ons is gezegd, dat, vermits eene niet erkende vereeniging volgens de grondwet op eigen naam geen erkenning kan vragen *), dit moet geschieden door hare leden

1) Waarom niet? Is zij geen „wettig bestaand lichaam"? Of is haar eigen erkenning geen onderwerp, tot haar werkkring behoorende?

Sluiten