Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sub 3°. Deze voorziening ziet enkel op het geval van art. 17.

Hoe, als bij overlijden des Konings tot den Troon geroepen zou zijn de drager eener vreemde Kroon? Het komt mij voor dat hij tot de bestijging van onzen Troon onbevoegd is, al is hij bereid van den zijnen afstand te doen. Ook en vooral als hij minderjarig is Hij zou anders tot zijne meerderjarigheid met de keuze kunnen wachten en zoodoende een toestand van langdurige onzekerheid scheppen. Alzoo komt, ook zonder afstand zijnerzijds, de in volgorde na hem staande van rechtswege tot den Troon. Als deze meening, steunende op art. 23 1°, en gedeeld door het Algemeen Handelsblad van 9 Maart 1887, de juiste is, dan kan men in het gestelde geval niet van onzekerheid in de troonopvolging spreken. Toch gevoel ik dat er wel twijfel aan de juistheid dezer opvatting mogelijk is en daarom zou het m. i. raadzaam zijn, vóór een eventueelen overgang van de Kroon op een reeds elders regeerenden vorst, bij de wet, krachtens art. 19 der Grondwet, eenige voorziening, en zoo noodig verandering omtrent de orde van erfopvolging aan te brengen.

Ware hij, die op den vreemden Troon zit de eenig bevoegde opvolger en kon dus de Nederlandsehe Kroon niet op hetzelfde oogenblik van 's Konings overlijden op een ander overgaan, dan zou de vreemde vorst zijn Troon voor den Neder landschen kunnen verwisselen en de toepassing van art. 21 voorkomen. Intusschen geldt, zoolang dit niet is geschied noch ook art. 21 is toegepast, het lste lid van art. 45.

De eed (belofte en verklaring) van art. 9 der wet op den Kaad van State van 21 December 1861 (Stbl. n°. 129) geldt ook voor deze functie (zie Memorie van Toelichting).

Art. 46.

Eene wet bepaalt, bij de benoeming van den Regent of bij de aanvaarding van liet Regentschap door den Prins van Oranje, de som, die op het jaarlijksch inkomen van de Kroon zal worden genomen voor de kosten van het Regentschap.

Sluiten