Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit is dunkt mij in overeenstemming met hetgeen de regeeïing antwoordde op het Voorl. Verslag der Eerste Kamer: „ De wet in de tweede alinea van het artikel bedoeld, zal altijd moeten inhouden de soort of de categorie van feiten, die de wetgever in verband met het speciale onderwerp der wet strafbaar wil verklaren; de in het derde lid bedoelde wet kan zoowel eene algemeene als eene speciale wet zijn."

Overigens is noch in de schriftelijke, noch in de mondelinge gedachtenwisseling tusschen Regeering en Staten-Generaal van eenige zienswijze op dit stuk gebleken.

Er zijn veel wetten die de uitvaardiging van een maatregel van bestuur aan den Koning opdragen, en waarin tevens de straf gesteld is tegen overtreding van dien maatregel !).

Anders is dit in de wet van 28 Februari 1891 (Stil. n°. 69) tot vaststelling van bepalingen betreffende 's Rijks waterstaatswerken. Bij deze wet is den Koning de bevoegdheid gegeven tegen overtreding der uit deze wet voortvloeiende maatregelen van bestuur zelf straffen te bedreigen met inachtneming der bij deze wet gestelde maxima. De vraag of deze regeling strookt met art. 56 alinea 3 behoort m. i. bevestigend te worden beantwoord, al laat zich niet tegenspreken dat het derde lid ondubbelzinniger had kunnen gesteld zijn, terwijl bij de discussie over het grondwetsartikel ook deze kwestie niet in het hart is getroffen.

Ei had inderdaad helderder licht over de zaak kunnen zijn geworpen, doch dit althans staat vast dat de minister Heemskerk in de Tweede Kamer, ter toelichting van de gedurende de openbare beraadslaging voorgestelde nieuwe redactie van art. 56,

1) Men vgl. hetgeen in „De Nederlandsche Wetboeken", uitgegeven door Mr J. A. I-ruin, vierde druk, 1898, onder art. 429 sub litteris E, F, K, N, P, Q, K, 1, U en V, onder art. 442 sub litteris IC. P en R aangeteekend is. Ook art 439 al. 2 van het Wetboek van Strafrecht juncto Kon. Besl. van 6 Juni 1888 (Stbl. n', 87). Eenigermate afwijkend hiervan is de opdracht bij de eene wet — van lo April 1891 {Stbl n°. 91) — van de regeling vervat in den algemeenen bestuursmaatregel dd. 18 Mei 1902 (Stbl. n°. 102), en de strafbedreiging tegen overtreding van dien algemeenen maatregel van bestuur bij eene andere wet (art. 473 van het Wetboek van Strafrecht).

Sluiten