Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(de dusgenaamde accomodatie-theorie), moet uitgemaakt worden door een onderzoek van dit getuigenis zelf.

Wat nu betreft het algemeen geloof in den tijd van den Heere Jezus ten aanzien van den Pentateuch, en de aanspraken van die boeken zelve als zijnde door Mozes geschreven (waarover wij dan nu willen spreken), schijnt het redelijkerwijze onmogelijk, dat iemand de bewijskracht kan loochenen van uitdrukkingen als bijvoorbeeld die aangaande de offerande die „Mozes heeft geboden" (Matth. 8 : 4) of aangaande de Schriftgeleerden en Parizeen, die „gezeten zijn op den stoel van Mozes" (Matth. 23 : 2); of aangaande een van de geboden, die „Mozes gezegd heeft" (Mark. 7 : 10); of aangaande Mozes en de profeten als getuigen van zulk een beteekenis dat, al stond „iemand uit de dooden op, hij niet grooter zou zijn dan zij" (Luk. 16:29, 31); of doelende op de besnijdenis als een wet, die „Mozes had gegeven" (Joh. 7 : 22, 23); en aangaande het geven van een scheidbrief als geoorloofd door een voorschrift dat „Mozes hun gegeven had" (Mark. 10 : 2—5).

Eveneens achten wij het niets meer dan een onwaardige uitvlucht, wanneer men in Mark. 12 : 19, 26, Matth. 22:23—32. Luc. 20:27—38 Jezus hoort spreken van een plaats, die zijn hoorders „gelezen hebben in het boek van Mozes, toen God in den doornenbosch tot hem gesproken heeft", en men verklaart dat dan, als bedoelde de Heiland niet een boek geschreven door Mozes, maar een boek geschreven over Mozes. Dit spreekt ons nog sterker toe, wanneer wij in het verband van deze teksten de Sadduceen, tot wie Jezus sprak, een van hunne vragen hooren inleiden met het zeggen : „Meester, Mozes heeft ons geschreven'', enz.

Eindelijk, in Joh. 5 145—47 zegt Christus uitdrukkelijk: „Mozes heeft van Mij geschreven", en Hij beroept Zich op de „schriften van Mozes", die, als zij ze maar verstonden en geloofden, hun ongeloof in Hem zouden bestraffen. Is deze tekst niet een ondubbelzinnig getuigenis van onzen Zaligmaker, dat er in zijne dagen

Sluiten