Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kelijk op den grooten heirweg naar Palestina onderscheppen kon.

Maar juist op dit punt werden zij van hun aangewezen route afgetrokken op een hoogst merkwaardige wijze, schijnbaar zoo dwaas mogelijk, ja, een zelfmoord gelijk. Den gewonen weg naar het Beloofde Land verlatende, wendden zij zich, op Goddelijke aanwijzing, zuidwaarts, en bereikten een legerplaats, die beschreven wordt als „vóór Pi-Hachiroth, tusschen Migdol en tusschen de zee, vóór Baal-Zefon."

De juiste ligging dezer legerplaats kan niet meer bepaald worden, maar in ieder geval is ze iets meer dan een dagreis ten zuiden van Ismaïlia, aan den westelijken kant der Bittere Meren. Hier verheft zich een berg van aanzienlijke hoogte, die wonderwel beantwoordt aan de beteekenis van het woord „Migdol", J) ten westen. Deze scheidt een smalle, hooge strook langs de Bittere Meren af van de wildernis, welke zich westelijk uitstrekt naar Cairo. Ook ten oosten van de Meren is er duidelijk een berg zichtbaar, die waarschijnlijk de streek van Baal-Zefon aanwijst.

De atmosfeer is in deze omgeving zoo helder en de afstanden zijn er zoo kort, dat men, langs den spoorweg van Rameses naar Etham reizende, den torenhoogen top van Jebel Geneffeh, omtrent vijftien mijlen verwijderd, zien kan, en tegelijkertijd de piek van Jebel Attaka, die zich vlak achter Suez, vijftien of twintig mijl verder, tot een hoogte van verscheidene duizend voet verheft.

Geen beschrijving kon juister den toestand weergeven, dan die door den gewijden schrijver aan Farao in den mond gelegd wordt: „Ze zijn verward in het land; de woestijn heeft hen besloten."

Uit een militair oogpunt bezien, kon er geen dwazer beweging zijn uitgevoerd door de kinderen Israels, dan toen zij zuidwaarts marcheerden, tusschen de loodrechte wanden van den krommen bergrug van Jebel Geneffeh ten westen en den verlengden arm der

') Migdol — het verhoogde, het hoog uitstekende.

Sluiten