Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

99. Zij als het broedsel der visschen de zee vervullen!"

100. De goden der Anunnaki weenden met haar;

101. De goden zaten neerslachtig ter aarde, zij zaten en weenden;

102. Gesloten waren hun lippen

103. Zes dagen en nachten lang

104. Hadden wind, vloed en storm geweldig het land geteisterd.

105. Toen de zevende dag aanbrak,rustten de orkaan en de stormvloed van den krijg,

106. Waarin ze gewoed hadden als een geweldige menigte.

107. De zee kwam tot kalmte, de storm ging liggen, de vloed hield op.

108. Ik zag uit naar de menschen (udma), met een kreet van weedom,

109. Maar alle menschen waren wedergekeerd tot stof:

110. Het bebouwde land was als de woestijn geworden.

111. Ik opende het luik, en daglicht viel op mijn aangezicht;

112. Ineengedoken zat ik neder, (en) ik weende;

113. Over mijn wangen vloeiden mijn tranen.

114. Ik zag naar de (hemel)streken, naar de oevers van de zee.

115. Omstreeks het twaalfde punt rees het land omhoog.

116. Het schip zette koers naar het land Nizir.

117. De berg Nizir hield het schip vast en duldde niet dat het zich bewoog.

118. Eén dag, nog een dag, hield de berg Nizir het schip vast enz.

119. Een derden dag, een vierden dag, hield de berg Nizir enz.

120. Een vijfden, een zesden, hield de berg Nizir enz.

121. Maar toen de zevende dag was aangebroken,

122. Liet ik een duif uitvliegen, ik liet haar los.

123. De duif vloog heen en weder, maar

124. Ze vond geen rustplaats (lett.: standplaats) en keerde terug.

125. Toen liet ik een zwaluw uit, ik liet haar los.

126. De zwaluw vloog heen en weer, maar

127. Ze vond geen rustplaats en keerde terug,

128. Toen liet ik een raaf uit, ik liet haar los.

129. De raaf vloog heen en weer, zag de vermindering der wateren, en

Sluiten