Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

130. Zij zocht voedsel, zij plaste door het water, zij kraste, zij keerde niet terug.

131. Toen liet ik (alles) uitgaan naar de vier windstreken, offerde offeranden,

132. Ik bracht een offerande van reukwerk op den top van den berg;

133. Zeven en zeven drievoeten zette ik daar.

134. In hunne bekkens stortte ik kalmus, cederhout, welriekende kruiden;

135. De goden roken den reuk,

136. De goden roken den lieflijken reuk,

137. De goden verzamelden zich als vliegen boven den offeraar.

138. Maar toen Isthar van ver gekomen was,

139. Hief zij de groote juweelen(P) op, die Anu gemaakt had om haar te versieren.

140. „Deze goden," zoo kreet zij, „bij mijn azuren halsketen (lett.: bij den lapis lazuli van mijn hals), ik zal ze nooit vergeten!

141. Deze dagen zal ik in gedachtenis houden, nimmermeer zal ik ze vergeten.

142. Laat de goden komen tot het reukoffer!

143. (Maar) laat Bel nooit komen tot het reukoffer!

144. Nademaal hij zich niet beraden heeft, maar den vloed heeft doen komen.

145. En mijn volk heeft prijsgegeven aan de verwoesting."

146. Maar toen Bel van verre was gekomen,

147. Zag hij het schip, en Bel werd zeer toornig;

148. Hij was vol grimmigheid over de goden (en) de Igigi (d. i. de geesten des hemels):

149. „Hoe, een levend wezen" (zoo schreeuwde hij) „is ontkomen!

150. Laat niemand deze verwoesting overleven!"

151. Ninib opent zijn mond en spreekt —

152. Hij zegt tot den krijgsman Bel:

153. „Wie anders dan Ea doet deze zaak?

154. Ea is in alle listen bedreven."

155. Ea opent zijn mond en spreekt —

156. Hij zegt tot den krijgsman Bel:

Sluiten