Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

157. „Gij, wijze onder de goden (en) krijgsman —

158. Gij hebt u geenszins wèl beraden, toen gij een vloed hebt verwekt!

159. Leg op den zondaar zijn zonde!

160. Leg op den schuldige zijn schuld!

161. (Maar) scheld (iets) kwijt! laat hem niet afgesneden worden! oefen geduld! laat hem niet (weggevaagd worden)!

162. Inplaats van een vloed te verwekken,

163. Laat de leeuw komen en de menschen verminderen!

164. Inplaats van een vloed te verwekken,

165. Laat een luipaard komen en de ménschen verminderen!

166. Inplaats van een vloed te verwekken,

167. Laat een hongersnood uitbreken en het land (woest maken).

168. Inplaats van een vloed te verwekken,

169. Laat de pestilentie (lett. Girre, d.i. de god van de pest) komen en de menschen dooden!

170. Ik heb het raadsbesluit der machtige goden niet openbaar gemaakt;

171. (Iemand) heeft Atranasis gezichten laten zien, en zoo vernam hij het raadsbesluit der goden."

172. Daarop beraadde hij zich in zichzelf (of: nam hij een besluit);

173. Bel kwam aan boord van het schip,

174. Greep mijn hand en bracht mij (buiten het schip),

175. Bracht ook mijn vrouw (en) deed haar naast mij nederknielen;

176. Hij plaatste ons aangezicht tot aangezicht, en tusschen ons in staande zegende hij ons, (zeggende):

177. „Binnenkort zullen Nüh-napishtim en zijn vrouw ons gelijk zijn.

178. Ja, nu zullen Nüh-napishtim en zijn vrouw evenals wij goden zijn.

179. Nüh-napishtim zal ver weg (van de menschen) wonen, aan de monding der rivieren!"

180. Toen namen zij mij op en deden mij ver weg wonen, aan de monding der rivieren.

Sluiten