Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de noordelijke helft van Noord-Amerika, van twee duizend tot drie duizend voet hooger dan tegenwoordig. De bewijzen daarvoor zijn voor het grijpen.

De feiten met betrekking tot de hoogtewisseling gedurende het pleistoceen of den ijstijd, worden door Chamberlin en Salisbury op de volgende wijze verklaard 1):

Bewijzen van pleistocene hoogteveranderingen, onderscheiden van latere pliocene, ontbreken niet, voornamelijk nabij de kusten en aan de oevers der groote meren. Uit het voorhanden bewijsmateriaal blijkt, dat beide in de westelijke bergen en in de streek die door de groote ijsvlakten bedekt was, wijd uitgestrekte bewegingen hebben plaats gegrepen, die heel wat veranderd hebben. Ook hadden er, hoewel waarschijnlijk op kleiner schaal, veranderingen plaats in de niet vergletscherde streken van het zuidelijk en zuidoostelijk deel van het vasteland.

Gelijk we reeds opmerkten, schijnen sedert het plioceen sommige eilanden van zuidelijk Californië tot wel vijftienhonderd voet omhoog gerezen te zijn. Andere stukken van de Californische kust en sommige van de omliggende eilanden zijn gedurende hetzelfde tijdvak gedaald. Nabij San Francisco, meent men, heeft de oppervlakte gewisseld van achttienhonderd voet beneden tot vierhonderd voet boven de tegenwoordige hoogte. Walcott schat de rijzing, die er plaats greep in de Inyo-bergen van Californië gedurende het pleistoceen op drie duizend voet.

Over het algemeen zijn de streken, die met het ijs uit den ijstijd overdekt waren, na het smelten van het ijs gerezen. De onderstelling is zeer wel houdbaar, dat de rijzing, althans gedeeltelijk, het gevolg was van het smelten der ijsmassa's, en dat ze volgde op een verlaging tengevolge van den druk van het ijs. De rijzing van het land, in het algemeen gesproken, was het grootst daar, waar het ijs het dikst was.

') tGeology", deel III, blz. 480—481.

Sluiten