Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dik (een weinig meer dan het ijsdek dat op Groenland ligt), dan zou het gewicht tweemaal dit enorme cijfer hebben bedragen.

Om zich nog beter denkbeeld van deze cijfers te maken, moet men ze vergelijken met die, welke de massa en het gewicht van de vastelanden uitdrukken. Noord-Amerika heeft een oppervlakte van 7,600,000 vierkante mijl, met een gemiddelde hoogte boven de zee van 2132 voet, hetgeen ongeveer 3,000,000 kubieke mijl maakt, of, bij onze laagste berekening, half de ijsmassa die opgestapeld lag op het noordelijk deel van het noordelijk halfrond; terwijl, wanneer het ijs twee mijl diep lag, de landmassa van Noord-Amerika slechts één vierde bedraagt van het ijs van den ijstijd. Stelt men het soortelijk gewicht van rots op driemaal dat van ijs, dan zou het gewicht van heel het vasteland van NoordAmerika bij de eene berekening slechts met een derde dat van het ijs uit den ijstijd overtreffen, en volgens de andere een derde minder zijn. De geheele landoppervlakte der wereld is 55,000,000 vierkante mijl, met een gemiddelde hoogte van 2411 voet boven den zeespiegel. Zelfs het gewicht daarvan beloopt bij de laagste berekening slechts viermaal, en bij de hoogere schatting slechts tweemaal dat van het ijs uit het ijstijdperk. *)

We moeten hier nog bijvoegen, dat president Robert Simpson Woodward, van het Carnegie-instituut, berekent dat de aantrekkingskracht van het ijs, dat gedurende den ijstijd rondom de noordpool werd opgestapeld, voldoende was om het water in die

') Deze cijfers voor de schatting van de landoppervlakten en hoogten zijn geput uit de vierde uitgave van Archibald Geikie: »Textbook of Geology", blz. 49.

Dat de bovenstaande schatting van de diepte van het ijs over de vergletscherde oppervlakte van Noord-Amerika matig gesteld is, blijkt uit hetgeen Chamberlin en Salisbury in hun »Geology" opgeven (deel III, blz. 327—502). Zij schatten, dat de continentale gletscher van Noord-Amerika vijftienhonderd of zestienhonderd mijl van het centrum van verplaatsing vooruitschoof (blz. 330).

Sluiten