Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die tevoren onder den zeespiegel begraven lagen, sinds tot groote hoogten zijn omhoog gebeurd. Inderdaad, de uitdrukking van „de korst der aarde" is evenzeer wetenschappelijk, als voor ieder verstaanbaar. Vergeleken met de massa van de aarde is de afgekoelde buitenste korst slechts een schelp, die gevoelig reageert, zoodra eenig gewicht van het eene punt naar het andere verplaatst wordt. Dit is aan den dag gekomen bij de ophooping van het gletscher-ijs en het daarop gevolgde smelten.

Dat het inwendige der aarde veertig of vijftig mijl beneden de oppervlakte heet genoeg is om alle bekende mineralen te smelten, is buiten alle redelijke tegenspraak.x) Voorzoover de mensch in putten en mijnen is doorgedrongen in de oppervlakte der aarde, is gebleken, dat de temperatuur op elke vijftig of zestig voet één graad hooger wordt, of honderd graden op elke mijl, wat op vijftig mijlen diepte een hitte geeft van vijf duizend graden. Dat er zulk een reservoir van hitte bestaat binnen een betrekkelijk geringen afstand van de aardoppervlakte, blijkt duidelijk genoeg uit het bestaan van vulkanen, van wier werking wij uit droevige ervaring weten, dat ze niet tot voorbijgegane eeuwen beperkt is.

Tot welk een omvang het binnenste der aarde evenwel in vloeibaren toestand verkeert, wordt niet alleen door den warmtegraad bepaald. Want naarmate men dichter nadert tot het middelpunt der aarde, neemt de zwaartekracht zoozeer toe in druk, dat men

') Het volledigst wordt de vraag naar de mate, waarin de temperatuur stijgt bij het afdalen onder de oppervlakte der aarde, behandeld door Prestwich in zijn nControverted Ouestions in Geology", blz. 146—279. Hij komt tot de conclusie, dat de gemiddelde stijging één graad Fahrenheit beloopt op elke 49,9 voet. De diepst bekende bron in de Vereenigde Staten is die in West Elizabeth, in den staat Pennsylvanië, twaalf mijl ten zuidoosten van Pittsburgh, waar men kwam tot een diepte van 5,575 voet. Op 5,380 voet was de temperatuur 127° Fahr. met een stijging van één graad op elke 69,5 voet. (Zie de rapporten der West Virginia Geological Survey, Deel I, a, blz. 104.)

Sluiten