Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oplossing voor het vraagstuk te vinden. Hij doet dit op de volgende krachtige wijze :

De toestand en de ligging van de beenderen zijn, aan den anderen kant, bij Santenay en Pédémar, gelijk trouwens ook bij Oreston en Catsdown, van dien aard, dat ze het resultaat kunnen zijn van de uitwerking eener langzame onder-water-zetting van het land. Want een onderdompeling van het land. zooals ik ze beschreven heb, zou de dieren natuurlijk voortdrijven in de vlakten om schuilplaats te zoeken op de hooger gelegen heuvels. In angst op de vlucht geslagen, en door het gemeenschappelijk gevaar bedreigd, zochten de carnivoren en herbivoren gelijkelijk een toevlucht op dezelfde plek en ondergingen hetzelfde lot, aangezien de heuvel geïsoleerd lag en niet hoog genoeg was om aan den wassenden vloed te ontkomen.

Vie kunnen aannemen, dat de wegzinking van den bodem zoo langzaam is toegegaan, dat er geen plotselinge stroom was die de lijken ver meevoerde, zoodat, toen ze vergingen, de ledematen onregelmatig verspreid en verstrooid werden op den bodem onder het water. Toen nu die bodem weer opgeheven werd, werden de losse beenderen en ledematen, gelijk ik uiteengezet heb, tegelijk met het puin dat op den bodem lag, door verschillende stroomen naar lagere plekken gesleurd; of ze vielen in scheuren van de rots, waarover deze puinmassa heenvloeide; of ook, wanneer ze bij de kust kwamen, over de randen van de oude rotsklippen die boven het omhoog geheven zeestrand uitstaken. Vervolgens meegesleept door nu en dan voorkomende stroomingen. veroorzaakt door de meer of minder snelle opheffing van den bodem, en in ééne massa met het puin over de oude rotsklippen of in de open spleten naar beneden vallende, werden in beide gevallen de beenderen gebroken en verpletterd op die buitengewone wijze waarin wij ze nu aantreffen. Daarbij kwam nog, tengevolge van de aardtrillingen die aan zulke bewegingen onvermijdelijk verbonden zijn, het vallen van rotsblokken, sommige van amzienlijke grootte, van de kanten der spleten, zoodat er maar heel weinig beenderen heel zullen gebleven zijn.

xv

Sluiten