Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tegelijkertijd dienen we nog op te merken, dat de beweging te kort duurde en het transport over een te geringen afstand liep, dan dat de scherpe hoeken hetzij van de stukken rots, hetzij van de gebroken beenderen, konden afgeslepen worden. Toen deze beenderen opnieuw aan de oppervlakte kwamen, heeft later het regenwater, dat doorsijpelde door de kalkachtige rotsen die de spleten doorsneden en dat vanzelf kalksteen mee naar beneden voerde, de rotsbrokken van de spleten aan elkander gemetseld, en soms ook wel (bij Brighton) stukken van het „head", tot een harde brecciën-massa, waaruit men nu niet dan met groote moeite de beenderen kan loswerken. Waar daartegenover het rotspuin los op de oppervlakte bleef liggen en een doordringbare superficiale drift vormde, daar leidde de doorsijpeling van het water er toe, om den kalksteen zoowel als de beenderen te verwijderen, zoodat in zulke gevallen de rubble, als ze blootgelegd wordt, minder fossielhoudend is, dan waar ze in spleten of holen ligt, waar het water van de oppervlakte niet zoo gemakkelijk doorheen kon dringen.

Op gelijke, overtuigende wijze kan men de theorie toegepast vinden op de rots van Gibraltar*), waar spleten voorkomen van

') De welbekende rots is een geïsoleerde heuvel, van het vasteland gescheiden door enkele mijlen vlakken, ongeveer tien voet boven den zeespiegel gelegen grond. Ze bestaat uit harden kalksteen uit het Jura-tijdperk, die een hoogen, ruwen bergrug vormt, iets meer dan twee en een hal ven mijl lang, van 550 tot 1550 el breed, en op de noordelijke punt rijzende tot een hoogte van 1349 voet.

In de rots zijn geweldig veel spleten en scheuren. Groote breuken, sommige loodrecht en andere hellende onder verschillende hoeken, zich uitstrekkende tot op groote diepten, doorsnijden haar in verschillende richtingen. Ze komen voor op alle hoogten, tot op 1100 voet toe.

Eén spleet is 290 voet diep, een andere 288. In een van deze vonden de werklieden, op een diepte van drie en vijftig voet, in roode breccië, twee tanden van een rhinoceros, een gaven maaltand van een mensch, en nog een vuursteenen mes met tallooze andere groote stukken vuursteen.

Sluiten