Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men kan bijbrengen om de verwoestende kracht in het licht te stellen van de vloeden, die het slot van den ijstijd vergezelden gedurende het tijdperk van des menschen bestaan, beide in de Oude en de Nieuwe Wereld.

Deze belangrijke ontdekking, die de heer Martin Concannon maakte bij het graven van een tunnel in de nabijheid zijner hoeve, werd het eerst gewaardeerd en ter algemeene kennis gebracht door M. C. Long, uit Kansas in Mexico, die de gevonden overblijfselen aan het stedelijk museum ten geschenke heeft gegeven. Dat ze uit den ijstijd afkomstig zijn, is verdedigd door Dr. Warren Upham en Prof. N. H. Winchell. Na drie uitgebreide onderzoekingstochten door de streek schijnt de laatste de zaak boven allen twijfel verheven te hebben, in zijn uitvoerig en meesterlijk rapport, dat werd opgenomen in de American Geologist van Mei 1903 • blz. 263—308. Mijn eigen resultaten, na onderscheidene bezoeken aan de omgeving gemaakt, komen met die van Upham en Winchell geheel overeen. (Zie het artikel „De periode van het skelet van Lansing" in de Records of the Past van April 1903, blz. 119—124.)

Een tegenovergesteld gevoelen, waarbij de afzettingen worden toegewezen aan een eenigszins later tijdvak, maar waarbij nochtans haar hooge ouderdom erkend wordt, is voorgedragen door de hoogleeraren Chamberlin, Salisbury en Calvin, in het American Journal of Geology, Deel X, blz. 745 en vervolgens.

Een nog latere ontdekking, die Robert F. Gilder deed in den zomer van 1906, schijnt vast te stellen, dat tijdens de afzetting van het Missouri-löss de mensch in die omgeving moet geleefd hebben. De geologische feiten, die daarop betrekking hebben, zijn besproken in de Records of the Past van Februari 1907 door Prof. Erwin H. Barbour, van de hoogeschool te Nebraska. De vondst bestaat uit tallooze menschenbeenderen, eenigermate door het water afgesleten, in ongeschonden löss, op den Longs-heuvel-, tusschen de honderd vijftig en tweehonderd voet boven den steilen

Sluiten