Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rund. Bij vergelijking zal men zien, dat deze in hoofdzaak dezelfde diersoorten zijn, welke in dien tijd aan Noord-Amerika eigen waren, en wier beenderen men gevonden heeft in de recente geologische afzettingen van Californië, van de hoogvlakten in het Rotsgebergte, en in de oostelijke Vereenigde Staten.

Om de oorzaak van deze feiten in het licht te stellen, merkt Darwin het volgende op:

Wij zijn er ons niet altoos levendig van bewust, hoe diep onkundig we zijn omtrent de bestaansvoorwaarden van iedere diersoort, en we denken er niet altoos aan, dat er gestadig de een of andere hindernis optreedt, die een al te snelle toeneming voorkomt van eenig organisch wezen, dat in den vrijen natuurstaat voortleeft.

Indien men vraagt, hoe dit is, dan wordt er onmiddellijk

geantwoord, dat dit wordt bepaald door het een of ander geringe verschil in klimaat, voedsel of getal der vijanden. En toch, hoe zelden, indien ooit, kunnen wij de juiste oorzaak en wijze van werken van de hindernis aanwijzen! We worden daarom genoopt tot de gevolgtrekking, dat oorzaken, die in den regel volkomen buiten onze waarneming vallen, beslissen of een bepaalde diersoort in grooten of in kleinen getale zal aanwezig zijn.

Na een zorgvuldig onderzoek van de feiten die betrekking hebben op de uitroeiing van diersoorten in post-tertiaire tijden, maakt Prof. Alfred Russel Wallace, in het eerste deel van zijn groot werk „De aardrijkskundige verdeeling der diersoorten" de volgende opmerkingen, die bijzonder voor ons onderwerp van belang zijn 1).

Het eerste, en misschien het treffendste feit, dat door ons stelselmatig overzicht aan het licht is gebracht, is de zeer recente en bijna universeele verandering, die heeft plaats gegrepen in het karakter van de fauna, over al de landstreken die wij in oogenschouw genomen hebben. Deze verandering schijnt in het geheel

') a. w. blz. 149—151.

Sluiten