Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK II.

RAPHAEL LEON.

Toen de heeren zich bij de dames voegden keerde Raphael instinctmatig terug tot zijn tafelbuur. Zij was aan het diner opvallend stil geweest, maar er was iets in haar dat hem had aangetrokken. Terwijl hij zijn koffie dronk en zijn sigaret rookte, was het hem ingevallen, dat zij zich misschien onwel gevoeld had en dat hij zijn kleine plichten aan tafel niet voldoende had waargenomen. Hij haastte zich nu te vragen of zij hoofdpijn had.

„Neen, neen," zeide ze met een dankbaar glimlachje. „Ten minste niet meer dan gewoonlijk."

Er was iets liefelijks en peinzends in haar gelaat als ze glimlachte, dat het mooi maakte. Het was een gelaat, dat bijna leelijk zou zijn geweest, indien er niet zooveel gemoed uit had gesproken. Het was donker, met groote ernstige oogen. Het profiel stelde teleur: de lijnen waren niet volmaakt en onderkaak en wangbeen hadden iets dat aan Poolsche afkomst deed denken. Maar van voren gezien, trok het weer aan met zijn warme Oostersche tint, de schitterende witte tanden, de diepe peinzende oogen, de krachtige trekken, die zich echter tot vrouwelijke teederheid verzachtten als de zonneschijn van een lach er over gleed. Haar gestalte was tenger en bevallig en kwam goed uit in een eenvoudige, goed en hoog sluitende japon van ivoorkleurige zijde, met kant gedrapeerd en een takje viooltjes

Sluiten