Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„O, dat gaat best," zeide De Haan luchtig. „We maken geen melding van de een en dan zullen de menschen denken dat ze weinig zaaks was. We geven een blad uit voor ons bepaald doel, niet om van de redevoeringen van allerlei plannenmakers verslag te geven."

Raphael legde reeds een nauwgezetheid aan den dag, die in de kiem moest worden gesmoord. Ziende dat hij zweeg, zeide Ebenezer bezorgd:

„Maar meneer Leon heeft gelijk. Er moet een tweede redacteur zijn."

„Zeker," riep Pinchas opgewonden.

„Best," zeide De Haan, wien eensklaps iets inviel. „Het is waar dat meneer Leon niet al het werk kan doen. Ik ken een jongen man, die precies is wat we noodig hebben en die het voor een pond in de week zal doen."

„Maar ik doe het ook voor een pond in de week," zeide Ebenezer.

„Jawel, maar je krijgt het niet," zeide Schlesinger ongeduldig.

„Sjah (stil) Ebenezer!" zeide de oude Suikerman gebiedend.

Daarop schommelde De Haan een jongen man op, dien hij als „de kleine Sampson" in zijn gedachten had en engageerde hem op staanden voet voor de gemelde som. Het was een levendige jonge Bohemer, geboren in Australië, die in de leer was geweest bij de Engelsch-Joodsche pers, in de grootere perswereld daar buiten zijn weg had gemaakt en die nu bezig was een reizend operette-gezelschap samen te stellen en weer tot de Joodsche journalistiek terug te drijven. Deze jonge man, die altijd lang krullend haar droeg, en een monocle en een romantische manteljas, die heel wat kaalheid verborg, bracht Raphael's vrees, wat de moeielijkheden van het redacteurschap aangaat, nog meer tot bedaren.

„Necrologieën!" zeide hij verachtelijk; „u kunt daarvoor op mij rekenen. De menschen, die de moeite waard zijn te worden herdacht, hebben zeker geleefd in vroegere nummers van andere bladen en ik kan die altijd naslaan in het

Sluiten