Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Addie niet zijn nicht was geweest — en een Jodin! Nu, wat de bloedverwantschap betrof, die ging niet heel ver, maar de Jodin was niet weg te cijferen.

„Ik ben er zeker van, dat hij naar jou kijkt," hield Addie vol.

„Wees niet mal," hield Esthervol. „Welken man bedoel je?"

„Daar! Op de vijfde rij stalles, de eerste, tweede, vierde, zevende — de zevende man van den hoek af. Hij heeft je al dien tijd zitten aan te staren, maar nu neemt hij het er nog eens goed van. Daar, naast dat mooie meisje in het rosé."

„Meen je dien jongen man met die anjelier in zijn knoopsgat en den rooden zakdoek in zijn borst?"

„Ja, dat is hij; ken je hem ?"

„Neen," zeide Esther, de oogen neerslaand en afwendend. Maar toen Addie zeide, dat de jonge man zich nu weer bezig hield met zijn buurvrouw in het rose, keek zij met haar kijker naar hem. Toen schudde zij het hoofd. „Er is iets in zijn gezicht dat mij bekend voorkomt, maar ik kan mij niet herinneren wie hij is."

„Dat „iets bekends in zijn gezicht" is zijn neus," zeide Addie lachend, „want die is beslist Joodsch."

„Dan zou bijna de helft van het publiek, een groot aantal van de tooneelverslaggevers en Hamlet en Ophelia zelf incluis, iets bekends hebben," zeide Sidney. „Maar ik ken den man."

„Ja? Wie is hij?" vroegen de meisjes haastig.

„Ik weet het niet. Hij is een van de habitués van den schouwburg. Ik ook en zoodoende ontmoeten wij elkaar dikwijls. Maar we spreken elkander nooit. Om u de waarheid te zeggen, ik kan hem niet uitstaan."

„Het is opmerkelijk hoe dol de Joden zijn op de comedie," zeide Esther, „en dat ze niet kunnen uitstaan dat andere Joden er heen gaan."

„Dank u," zeide Sidney. „Maar daar ik geen Jood ben, trek ik het mij niet aan."

Geen Jood?" herhaalde Esther verbaasd.

„Neen, niet in den gewonen zin. Ik ontken altijd dat ik een Jood ben."

Sluiten