Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met verstandige menschen te praten. — O, neem me niet kwalijk, Esther!"

De galante Sidney glimlachte, maar aarzelde.

„Wel ja, u moet gaan," zeide Esther. „Er is nog zes of zeven minuten pauze. Dit is de langste."

„De wil der dames is mij een wet," zeide Sidney galant en een sigarettenkoker uit zijn manteljas nemend, die achter in de loge aan een kapstok hing, slenterde hij heen, zeggend: „Misschien verzuim ik een brokje van Shakespeare, als ik een verwante ziel vind om mee te babbelen."

Hij was nauwelijks een paar minuten weg toen er zachtjes aan de logedeur werd geklopt; de dames riepen „binnen" en zagen tot haar verbazing den jongen man met de anjelier op de borst en den rooden zijden zakdoek. Hij keek Esther aan met een minzaam lachje.

„Herinner je mij niet?" vroeg hij. De klank zijner stem werkte als een verre echo in haar hersens. Maar zij herinnerde zich niet.

„Ik herkende je bijna onmiddellijk," ging hij op half verwijtenden toon voort, „al had ik geen lust naar boven te gaan zoolang er een ander in je loge was. Kijk mij eens goed aan, Esther."

De klank van haar naam op de lippen van den onbekende bracht al de snaren van het geheugen aan het trillen; zij keek nog eens naar het donkere gezicht met den gebogen neus, de glinsterende oogen, het nette zwarte kneveltje, de glad geschoren wangen en kin, en op eens rees het verleden weer voor haar op en bijna ongeloovig mompelde zij: „Levi!"

De jonge man bloosde een beetje.

„Ja...a!" stamelde hij. „Laat ik je mijn kaartje geven."

Hij nam er een uit een ivoren doosje en reikte het haar toe. Zij las: „Mr. Leonard James."

Een spottend lachje gleed over Esther's gelaat; het ging in een lachje van verwelkoming over. Het was haar in het geheel niet onaangenaam hem te zien.

Sluiten