Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Waarom smijt u dat vreeselijke starende ding niet weg?" vroeg zij, ziekelijk geboeid het stoomschip bekijkend. „Waarom laat u niet de oude papieren opvegen, een paar aquarellen ophangen en een vaas met bloemen op uw lessenaar zetten? Ik wou dat ik een week hier de baas kon spelen."

„Dat wou ik ook," zeide hij galant. „Ik kan geen tijd vinden om aan die dingen te denken. U vroolijkt het bureau nu al op."

De blos op haar gelaat werd dieper. Complimentjes van hem waren iets ongewoons en inderdaad hij zeide slechts wat hij gevoelde. Haar zoo onverwacht te zien zitten in zijn eigen duf heiligdom, haar zich voor te stellen dat heiligdom vermooiend, in den chaos harmonie brengend door artistieke verschikking met haar fijne handjes, dat vervulde hem met prettige teedere gevoelens, die hij nooit had gekend. De alledaagsche redacteurszetel scheen een wijding, een poëtische transformatie te hebben ondergaan. Voorwaar de zonneschijn, die door het stoffige raam naar binnen stroomde, zou daarop voortaan steeds rusten. Toch leek alles fantastisch en onwezenlijk.

„Ik hoop dat u de waarheid spreekt," antwoordde Esther met een lachje. „U moet wat opgevroolijkt worden, oude saaie philosoof die ge zijt, in vervelende manuscripten snuffelend, terwijl u buiten behoorde te zijn en den zonneschijn genieten." Zij sprak op luchtigen toon, innerlijk verbaasd over haar opgewektheid bij een gelegenheid, die zij zich smartelijk had voorgesteld.

„Maar ik heb uw manuscript nog niet eens ingezien," antwoordde hij vroolijk; terwijl hij sprak echter, zweefde een heerlijk visioen hem voor den geest van een blauwe zee en wuivende dennenboomen, met een mooie boschnimf, die er tusschen door gleed en hem uit deze muffe cel, waar het werk nooit gedaan was, lokte naar ongekende extase van jeugd en vreugd. De dichte lanen baadden zich in het zonlicht en door de stille lucht ruischte een zachte magische

Sluiten