Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zoo laat al!" riep Esther verschrikt. „Adieu. Zie mijn kopij maar eens goed door; er mochten eens ketterijen in zijn geslopen."

„Uw kopij? Heeft u mij die gegeven?" vroeg hij.

„Wel zeker. U nam ze van mij aan. Waar heeft u ze gelaten? Zij is toch niet onder al die papieren geraakt? Dat zal een vreeselijk werk zijn ze te vinden," riep Esther opgewonden.

„Misschien heb ik ze wel in het loket gelegd," zeide hij. „Ja gelukkig!"

Esther lachte hartelijk.

„Het schijnt u geweldig te verbazen hier iets op zijn plaats te vinden."

Het oogenblik voor plechtig afscheid nemen was gekomen; toch lachte zij nog. Misschien verheugde het haar te merken, dat het vaarwelzeggen gemakkelijker was dan zij had verwacht. Het was haar zeker gemakkelijker gemaakt door den theologischen strijd, die al haar sluimerend antagonisme tegen den bekrompen jongen geloovige had wakker geroepen. Haar vijandigheid gaf iets smadelijks aan den lach, die een heel klein beetje hysterisch eindigde.

„Wat een massa hebt u geschreven," zeide hij. „Dat zal ik nooit in één nummer kunnen plaatsen."

„Dat was ook mijn bedoeling niet. U moet het bij gedeelten opnemen, als het goed genoeg is. Ik schreef alles vooruit, omdat ik heenga."

„Heengaan !" riep hij, ophoudend midden in het inademen van rook. „Waar heen?"

„Ik weet het niet," zeide zij mat.

Zijn blik was een en al bezorgdheid en nieuwsgierigheid.

„Ik ga de Goldsmith's verlaten," zeide zij. „Ik ben het nog niet precies met mijzelf eens wat ik daarna doen zal."

„U heeft toch niet met hen gekibbeld?"

„Wel neen. Zij weten op het oogenblik zelfs nog niet dat ik heenga. Ik vertel het u slechts in vertrouwen. Vertel als het u blieft niets aan niemand. Vaarwel, het kan best zijn

Sluiten