Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar eigen belooning, want Esther maakte gebruik van het oogenblik, dat de praatzieke oude buiten adem was, om weg te komen. Zij deed de straatdeur open en ging de stille straat op, waarvan het koude plaveisel de grauwe steenkleurige lucht scheen te weerkaatsen.

In de eerste minuten liep zij haastig, zij holde bijna. Toen vertraagde zij haar stap; er was geen haast, zeide zij bij zich zelf en zij schudde het hoofd, toen een koetsier haar vroeg of zij wilde rijden. De omnibussen gingen nog niet. Als ze begonnen te rijden, zou zij die naar Whitechapel nemen. De teekenen van ontwakenden arbeid wekten nieuwe aandoeningen in haar op — de melkboer met zijn kannen, hier en daar een werkman met zijn gerij, een smerige schoorsteenveger, een werkmeisje met een boterhammenzakje, een fluitende leerjongen. Groote, slapende huizen belijnden haar pad, als volgepropte monsters in wulpsche sluimering. De wereld, die zij achter liet, werd vreemd en begon haar tegen te staan; zij gevoelde zich getrokken tot de geduldige wereld van den arbeid. Wat had zij al die jaren uitgevoerd — te midden van haar boeken, haar muziek en haar rozeblaadjes — ver van de werkelijkheid ?

De eerste omnibus haalde haar halverwege in en voerde haar naar het Ghetto terug.

Het Ghetto was al heelemaal wakker, want het was half negen in den morgen van een werkdag. Maar Esther had geen honderd meter geloopen, of ze was vervuld van onheilspellende aandoeningen. De welbekende straat, die zij had ingeslagen, was zonderling verbreed. In plaats van de smerige schilderachtige huizen zag zij een geduchte reeks van werkmanswoningen, eentonige steenen barakken, waarvan het doode, saaie proza het gemoed drukte. Andere straten daarentegen, die onveranderd waren gebleven, leken ongelooflijk nauw. Kon het zijn, dat zij, zelfs als kind, zes stappen had moeten doen om die over te steken, zooals zij

Sluiten