Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

je placht te bewonen," zeide Debby zoo kiesch als ze maar kon, „is leeg. Bij de laatste familie werd op alles beslag gelegd."

„Zijn de Belcovitch's allemaal wel? Ik herinner me dat Fanny trouwde en naar Manchester ging voor dat ik vertrok."

„O ja, ze zijn allen wel."

„Zoo? Ook juffrouw Belcovitch?"

„Ze gebruikt nog altijd medicijnen, maar lijkt nog even sterk als ooit."

„Is Becky al getrouwd?"

„O, neen, maar ze heeft twee processen gewonnen wegens verbreking van trouwbelofte."

„Ze komt al zachtjes aan op leeftijd."

„Ze is een knappe jonge vrouw, maar de jonge mannen zijn nu bang voor haar."

„Zitten ze dus niet meer 's morgens op de trap om haar op te wachten?"

„Neen, jonge mannen schijnen tegenwoordig heel wat minder romantisch te zijn," zeide Debby zuchtend; „er is bovendien nu een trap minder en de helft van de trap is vlak tegenover de straatdeur. Op de bovenste trap was het zoo stil —".

„Ik denk ze allen eens op te zoeken," zeide Ester glimlachend. „Maar zeg me eens, woont juffrouw Simons hier nog?"

„Neen."

„Waar dan? Ik zou haar willen opzoeken; je weet, ze was zoo erg lief voor kleine Sara. Onze gebakken visch kwam bijna altijd van haar."

„Ze is dood, ze stierf aan kanker. Ze leed veel."

„O!" Esther zette haar kopje neer en leunde tegen den rug van haar stoel, met een bleek gelaat. „Ik durf naar niemand anders vragen," zeide zij eindelijk. „Gaat het goed met de Zonen van het Verbond? Zij kunnen niet dood zijn, ten minste niet allemaal."

„Zij zijn in twee gemeenten gesplitst," zeidde Debby ernstig. „Meneer Belcovitch en de sjammes (pedel van de

Sluiten