Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waaruit blijkt, dat iemand, zelfs wanneer hij gedrukt is, nog grappen maken kan. Dit is een van de dingen die Shakespeare wist en dr. Johnson niet. ,

In den namiddag ging Esther eens kijken op het Zachanaplein. Zij ontmoette geen van de bekende gezichten, terwijl ze door het Ghetto liep; een kleine samenscholing, die haar op een punt den weg versperde, bleek alleen te bestaan uit toeschouwers van een van Meckish's epileptische vertooningen. Esther wendde zich half geërgerd, half geamuseerd af. Zij vroeg zich af of juffrouw Meckish zich nog opdrilde met satijn en dikke halskettingen; of zou Meckish zich van haar hebben laten scheidden, of haar hebben overleefd, of iets anders even weinig betamelijks hebben gedaan? Vlak bij de oude Ruïne (die door een spoorweg was „geruïneerd ), kreeg Esther bijna een ijzeren hoepel tegen zich aan, voortgestuwd door een jongen met een langwerpig donker gelaat, dat haar onwillekeurig aan Malke deed denken.

„Is je grootmoeder in de stad?" vroeg zij op de gis.

„Ja-a," zeide de jongen verwonderd. „Zij is bij haar

eigen thuis."

Esther spoedde zich niet daarheen.

„Je heet immers Ezekiel?"

„Ja," antwoordde de jongen; en toen wist Esther dat hij de afgekochte zoon was van wien haar vader haar had verteld.

„Zijn vader en moeder wel?"

„Vader is op reis." Ezekiel sprak een beetje ongeduldig, hij schuifelde ongedurig met de voeten, hunkerend naar zijn

hoepel. . ,

„Hoe gaat het met je tante? — och ik kan niet op haar

naam komen."

„Tante Lea? Zij is naar Liverpool gegaan."

„Waarom?"

„Zij woont daar, zij heeft daar een filiaal van grootmoeders zaak. Wie ben je?" aldus besloot Ezekiel vrijmoedig.

„Och, je zult mij toch niet meer kennen,' zeide Esther.

Sluiten