Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij was niet zoo koppig als je moeder en je ziet wat er van gekomen is."

Zij bekeek wat er van gekomen was met een hartelijk glimlachje; zij was oprecht trotsch op het aandeel dat zij daaraan had gehad.

„Als mijn Ezekiel maar een paar jaren ouder was!" voegde zij er peinzend bij.

„O, maar ik ben geen groote dame," zeide Esther, zich haastende alle valsche aanspraken op de hand van den held met den hoepel van zich af te werpen. „Ik ben van de Goldsmiths heengegaan en teruggekomen om in het Oosteinde te wonen."

„Wat!" zeide Malke. „Je hebt het West-einde verlaten?"

Haar gebruind gelaat werd donkerder; de huid om haar zwarte wenkbrauwen rimpelde zich van toorn.

„Ben je viesjogghe (dol)?" vroeg ze na een vreeselijke pauze. „Of heb je misschien een aardig sommetje opgespaard?"

Esther bloosde en schudde het hoofd.

„Dan behoef je ook niet bij me te komen. Ik ben niet rijk, ver van dien, en ik ben gezegend met Kinder, die niet zonder mijn hulp kunnen. Precies wat ik altijd tot je vader zei: „Mousje (Mozes)," zeide ik, „jij bent een sjnorrer en je kinderen zullen tot sjnorrers opgroeien."

Esther werd bleek, maar met het verdwijnen van Malke's half-goddelijkheid was de macht der oude vrouw om haar te ergeren verminderd.

„Ik wil mijn eigen kost verdienen," zeide zij met een bijna verachtelijk lachje. „Noemt u dat een sjnorrer zijn?"

„Spreek me niet tegen. Je bent precies als je goede moeder, ole besjolom /" riep de vertoornde oude vrouw. „Jou ezel! Er was voor je gezorgd en je hebt geen recht je familie op haar dak te komen."

„Maar is van vreemden afhankelijk zijn niet sjnorren?" vroeg Esther met bitter vermaak.

„Ga uit mijn oogen met je onbeschaamd gezicht!" riep Malke, wier oogen vuur schoten. „Je weet evengoed als ik,

Sluiten