Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij bedankte voor Milly's vriendelijke uitnoodiging om thee te komen drinken, schudde beiden de hand en ging heen.

„Wacht een oogenblik, miss Ansell," zeide Hanna. „Ik ga met u mee."

Milly gaf haar een shilling, met een spottend lachje, en Hanna voegde zich bij Esther.

„Ik zamel geld in voor een arme Joodsche familie, die pas is aangekomen," zeide zij. „Zij hadden een paar roebels, maar in de dokken vielen zij in handen van de gewone gauwdieven en de koetsier nam hen al wat overbleef af, om hen naar de Laan te rijden. Ik verliet hen op straat, schreiend en jammerend, terwijl ik rond ging om wat geld bij elkaar te krijgen om hen onder dak te brengen."

„Arme zielen," zeide Esther.

„Ik kan wel zien dat je uit het Ghetto bent geweest," zeide Hanna. „Vroeger zou je ache nebbisj gezegd hebben."

„Zou ik?" zeide Esther, ook lachend. En ze begon van Hanna te houden. Zij had vroeger weinig van haar gemerkt, want Hanna was, zoo lang het Esther heugde, volwassen en welgesteld geweest. Het leek haar nu wel vermakelijk naast haar te gaan, volkomen haar gelijke en schijnbaar wat jonger. Want Hanna was niet merkbaar ouder geworden en vandaar misschien dat Esther haar aanstonds had herkend. Zij was niet hoekig geworden, zooals haar moeder, en ook niet grof en dik zooals andere moeders. Zij bleef tenger en bevallig met iets maagdelijk bekoorlijks in de uitdrukking van haar gelaat. Maar het mooie ernstige gezicht had nog in fijnheid gewonnen; het had bijna iets niet-aardsch, het sprak van lijden en geduld niet onvermengd met vrede.

Zwijgend haalde Esther een halve kroon uit haar beursje en gaf die aan Hanna.

„Het was mijn bedoeling niet je te vragen, heusch niet," zeide Hanna.

„O, ik ben blij dat u het mij vertelde," antwoordde Esther gejaagd.

Het denkbeeld dat zij een aalmoes gaf, na hetgeen ze

Sluiten