Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te zien." Hanna glimlachte eventjes. „Zij heeft geen hoog idee van Joodsche jonge mannen. A propos, ben jij al geëngageerd, Esther?"

„Wat een idee!" mompelde Esther, blozend onder haar

voile met moesjes.

„Het is waar, je bent nog heel jong," zeide Hanna, op de kleinere gestalte neerziend met het lief lachje van een matrone.

„Ik zal nooit trouwen," sprak Esther op gedempten toon.

„Gekheid, Esther! Daar is geen geluk voor een vrouw buiten dat. Je behoeft Mirjam Hyams niet na te praten — ten minste nog niet. O ja, ik weet wel wat je denkt .

„Neen," protesteerde Esther flauwtjes.

„Jawel," zeide Hanna, lachend om de paradoxale ontkenning. „Maar wie zou mij willen hebben? Ha, daar zijn de nieuw aangekomenen!" En haar lachje kreeg iets engeachtigs.

Het was een vuil leelijk groepje, dat daar op de straat zat, omringd door een half medelijdende, half nieuwsgierige menigte: de vader in een lange vieze jas, de moeder met een sjaal die het hoofd en tevens de zuigeling bedekte. Maar de ouders waren naïef kinderlijk en de kinderen akelig ouwelijk, en iets in Esther's hart scheen door een vreemd gevoel van verwantschap te worden getroffen. Het ras-instinct kwam vanzelf tot bewustheid. Verflauwd door den omgang met beschaafde Joden, bijna in afkeer veranderd door het schouwspel dat de onbeschaafde welvarenden opleverden, ontwaakte het op de roepstem van morsigheid en ellende. In den morgen had het Ghetto haar bepaald afgestooten; haar hart had zich er heen gewend als tot een wijkplaats en de werkelijkheid was treurig. Nu de eerste indruk van leelijkheid was afgesleten, gevoelde zij zich aangetrokken. Haar oogen werden vochtig. Zij had het gevoel van een roeping; daar was een nis in den tempel van menschendienst, die zij was voorbestemd te vullen. Wie kon als zij die bekrompen zielen begrijpen, beperkt in alles behalve in

Sluiten