Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XIV.

SIDNEY KOMT TOT RUST.

Het laatste verblijf aan zee, door mevrouw Henry Goldsmith ontdekt, had de artistieke bekoring, die alles kenmerkte wat zij koos. Het was een onregelmatig dorp, heuvelachtig, lommerrijk, vol oude herinneringen — menschelijke en architectonische — overhellend naar een baai, die een bevallige bocht maakte, waar de blauwe golven fluisterend werden gebroken; want des zomers was dit tooverplekje idyllisch kalm en de groote zee strekte zich uit, zonder rimpels, eeuwig jong. Er waren geen neutrale tonen in de kleuren van dit goddelijk tafereel — de zee was safier, de hemel amethist. Daar waren donkerroode huizen, die in het groen wegscholen, en bemoste monsters van grijze steen waren verspreid over het gele zand, dat was bestrooid met vreemde schelpen en nagemaakte aardwormen, door de golven handig gewrocht. Een halve mijl verder naar het Oosten kabbelde een blauwe rivier in de baai. De witte badtenten, die mevrouw Goldsmith had laten opstellen, kwamen schilderachtig uit in harmonische tegenstelling met het rijk bebladerde kreupelbosch, dat op den achtergrond de heuvels begon op te kruipen.

Het gezelschap van mevrouw Goldsmith woonde in een heerenhuis; het was vrij talrijk en nam langzamerhand de slaapkamers van de naburige huisjes in beslag. De heer Goldsmith kwam alleen Zaterdag over en ging des Maandags

Sluiten