Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als ik dat allemaal had bedacht, zou ik je nooit gevraagd hebben mijn vrouw te worden."

„Ik ben blij dat je dat niet hebt bedacht," zeide Addie ongekunsteld.

„Daar nu! Je neemt me nooit au sérieux!" bromde hij. „Niemand doet dat ooit — ik denk omdat ik de waarheid spreek. De eenige keer in mijn leven, dat je het deed, was een paar minuten geleden. Je denkt dus heusch dat ik mij zal onderwerpen aan de zegeningen van een rabbijn."

„Je moet," zeide Addie.

„Ik zal gezegend zijn als ik het doe," zeide hij.

„Natuurlijk," antwoordde Addie vroolijk lachend.

„Dank je — ik ben blij dat je mijn ui op prijs stelt. Je denkt misschien wel dat hij van jou is. Maar heusch, ik meen het in ernst. Ik wil geen achtbaar hoog-gehoed lid der gemeente zijn — zelfs niet om jouwentwil, lieveling. Ik zou dan evengoed mijn leelijken naam Samuel Abrahams kunnen terugnemen."

„Dat zou je ook, lieve," zeide Addie stout, hem toelachend, om haar stoutmoedigheid te temperen.

„Nu, ik vind het voldoende als jij van naam verandert," antwoordde hij ook lachend.

„Och, het is net zoo gemakkelijk voor mij mijn naam met Abrahams als met Graham te verwisselen," sprak zij met bekoorlijke hardnekkigheid.

Hij keek haar eventjes zwijgend aan, met een curieuse uitdrukking op zijn gelaat. Toen keek hij naar den hemel, waar de schitterende kleurenharmonieën tot een soberder pracht verdonkerden.

„Ik zal je zeggen wat ik zal doen. Ik zal tot de Asmoneeërs toetreden. Daar nu! Dat is een groote concessie aan je ongerijmde vooroordeelen. Maar je moet ook een concessie aan de mijne doen. Je weet hoe 'n hekel ik heb aan dat geklets onder de Joden over engagementen. Laat het onze een dag of veertien heelemaal onder ons blijven, dan krijgen de babbelaars ten minste oudbakken kost en wij zijn al een

Sluiten