Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hoor, o Israël, de Heer onze God is een eenigGod!" zong de voorzanger hartstochtelijk.

En de geheele spookachtige gemeente antwoordde met een groot geluid, de oogen sluitend en zich krampachtig schommelend:

„Hoor, o Israël, de Heer onze God is een eenig God!"

Zij leken een groot leger van dooden, in hun lijkwaden opgestaan om voor den eenigen God te getuigen. De magnetische rilling, die door de Synagoge ging, trof het verlaten meisje tot het hart; haar vroeger ik ontwaakte weer; haar doode voorvaderen, die zich niet lieten afschudden, leefden weer in haar op. Zij werd door de groote golf van hartstochtelijk geloof meegesleept en van haar lippen kwam in geestdriftige overgave aan een overstelpende aandrift, half hysterisch de betuiging:

„Hoor, o Israël, de Heer onze God is een eenigGod!"

En toen, in het korte oogenblik dat de gemeente in steeds stijgende vervoering God loofde, totdat de climax werd bereikt met de zevenmaal herhaalde verklaring „De Heer, Hij is God!", kwam de geheele geschiedenis van haar vreemd ongelukkig ras haar plotseling voor den geest in een tumult van onweerstaanbare aandoening. De gedachte overweldigde haar, dat de zonen van dat ras in eiken hoek van den aardbodem in de sombere schemering getuigden voor het geloof, waarvoor geslachten hadden geleefd en waren gestorven: de Joden van Rusland in hun afgebakend gebied; de Joden van Marokko in hun mellah; die van Zuid-Afrika in hun tenten bij de diamantmijnen; die van de Nieuwe Wereld in groote vrije steden, in de onontgonnen boschstreken van Canada, in de savannahs van Zuid-Amerika; de Australische Joden op de schapenhoeven, op de goudvelden en in de als paddestoelen verrezen steden; de Joden van Azië in hun benauwde wijken, omgord door barbaarsche bevolkingen. De schaduw van een groot geheimzinnig lot scheen over die arme, bijgeloovige ijveraars te hangen, wier leven zij zoo goed kende in al hun alledaagsch proza, en

Sluiten