Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het moet wel iets buitengewoons zijn, dat den landbouwer dringt hoeve en bezitting, akkers en vee te verlaten en het rustige, veilige leven in eigen huis, op eigen erf, zonder vrees of kommer, te verruilen voor een bestaan vol moeite en gevaar. Dat bijzondere hebben wij hier. Amos, de veebezittcr en moerbeziënkweeker, wiens leven tot nog toe kalm was voorbijgegaan met het hoeden van zijne kudde en het verzorgen van zijne boomen, die in het stille Thekóa zeker de achting zijner medeburgers genoten had — deze Amos verlaat op een goeden dag zijn huis, zijn dorp en al wat hij heeft, en trekt weg naar Bethel, niet om daar rijkdom of eer te zoeken, niet om er gunst van den koning of den opperpriester te vragen, maar om er — dit kon hij zelf wel van tevoren berekenen — sp jedig den toorn der machtigen tegen zich te krijgen, om er smaad en schimp te oogsten, om er, wie weet! — het leven te laten onder de verbittering die zijn woord zou wekken. Het moet toch wel iets bijzonders zijn, hetwelk dien landman tot zulk een ruil bewogen had.

Hij zelf zegt ons, wat het geweest was. Hij had, zwervende achter zijne kudde, in zijn binnenste een woord des Heereti vernomen: „ga, profeteer tegen mijn volk Israël" (7:15) en die drang was hem te machtig geworden. „De leeuw brult (Amos had hem in zijn woestijn vaak genoeg gehoord) wie zou niet vreezen, de Heere Heere spreekt, wie zou niet pro-

Sluiten