Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wind, die het woestijngruis omhoog wervelde. Diep gevoelde zijne ziel daar de hoogheid van dien Eenige, naast wien er voor geen anderen plaats bleef, die regeerde over Israël en alle de volken, den Rechter der gansche aarde.

En zoo ging Amos naar Bethel. Of het hem gemakkelijk viel? Het is geen aangename taak spelbreker te moeten zijn, rust en vrede te moeten verstoren, waar vreugde heerscht, angst en schrik te moeten wekken. Geen aangename taak te moeten staan, één tegenover allen, op gevaar af van de vraag te moeten hooren: zijt gij dan alleen wijs? En dan, hij een boer! Niet eens een lid van het gilde der profeten! Niet eens een profeet van ambtswege! Wat vermat hij zich! Waar was zijn geloofsbrief?

Maar Amos gaat en komt te Bethel en heft een klaagzang aan:

Gevallen is de jonkvrouw Israëls, aij staat niet weder op; uitgestrekt ligt zij op haar eigen grond, terwijl niemand haar opheft. (5 : 2).

En dan volgt straks dat woord tegen Jerobeam, dat ik reeds noemde. Maar dat is revolutie, dat is majesteitsschennis! Amazia, de opperpriester van den rijkstempel, is het aan de eer van zijn koning, aan het heil van zijn volk verplicht dien oproerkraaier te keer te gaan, hij waarschuwt den koning, hij ver-

Sluiten