Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

juist aangeeft dat wat alle wet en gebod te boven gaat, dat wat uit het hart komt en aan al het andere, aan woord en daad, aan offer en plichtsvervulling eerst zijn wijding, den liefelijken geur, de warme tint leent. Onze Statenvertaling gebruikt dan het woord weldadigheid (4:4, 6:4, 6), wij vertalen beter, waar het van de betrekking tot God spreekt, door vroomheid. Zoo voelen wij de diepe beteekenis in den mond van onzen profeet van het woord (6:6): in vroomheid heb ik lust, niet in offeranden, in kennis van God meer dan in brandoffers.

Vroomheid heeft Jehova gezocht bij zijn volk, en wat heeft Hij gevonden? Wij begrijpen nu het woord der verachting en der schande, waarmede Hozea Israëls gedrag teekent: trouweloosheid, hoererij! En het spreekt vanzelf, dat hij de rampen die het treffen, waarachter de Almachtige zijn aangezicht verbergt, niet onverklaarbaar vindt: kan de beleedigde liefde soms altoos vriendelijk glimlachen tegen de ontrouwe?

Maar toch — maar toch, de liefde verdraagt alle dingen. Hozea weet het, en daarom kan hij ook in den toorn de liefde nog merken, het voelen, hoe de goddelijke hand die slaat, trilt van mededoogen, hoe het God zeiven smart zijn volk te moeten pijn doen: Hij doet het niet gaarne. Hij straft, maar niet gelijk een toornig mensch zou doen, in verbolgenheid, die de schuldige vernielt; Hij slaat, maar houdt onder

Sluiten