Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wanneer Jehova zal zeggen: gij zijt mijn volk! en het zal antwoorden: mijn God! (2:18—22.)

Ietwat jonger tijdgenoot van Amos, boetprediker als deze, staat Hozea voor ons als een geheel ander man, een onderscheidene persoonlijkheid. Amos ziedend van verontwaardiging, Hozea meer innerlijk ontroerd

over 's volks zonde. Gene altoos naar voren keerend de naar buiten gekeerde zijde van den godsdienst: de gerechtigheid tegenover den medemensch; deze immer wijzend op wat van alle godsdienstigheid de innerlijke bron moet zijn: de vroomheid, de toewijding des harten aan God! De eerste opkomend voor het recht der armen en verdrukten, de laatste pleitend voor het recht van den Allerhoogste op wederliefde en dankbaarheid! Amos als de discipelen, die bij het zien van de albasten flesch met zeer kostelijke zalt allereerst denken aan de armen; Hozea als Maria, die den nardus uitgiet over het hoofd van den Heer

wien haar hart toebehoort.

Natuurlijk bedoelen deze tegenstellingen niet te zeggen, dat de een ontkent wat de ander bevestigt, maar slechts aan te wijzen, wat in ieders prediking den klemtoon heeft. Zij spreken elkander niet tegen, zij vullen de een den ander aan. Heerlijk wie in eigen leven beider woord tot één maakt, God lie hebbende met geheel het hart en den naaste als

zichzelven!

Sluiten