Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volks trilden gelijk de boomen des wouds trillen door den wind. Ongelukkige jonge koning! Hij loopt de wallen zijner hoofdstad rond, torens en bolwerken onderzoekende, maar de sterkte zijner stad stelt hem niet gerust, hij voelt zich, een tegen twee, niet opgewassen tegen de vijanden. Maar daar nadert hem een andere jonge man met een kind aan de hand: Jezaja de profeet met zijn kleinen jongen „Een-rest-bekeertzich." Dat de profeet dien knaap met zijn hoopvollen naam meebrengt, mag den koning reeds bemoedigen, en nog meer het woord dat hij nu hoort: vrees niet, uw hart worde niet week om die twee stompen van rookende brandhouten. Wat die twee, die Rezin en Remalja, mogen beraamd hebben, het zal niet tot stand komen, niet gebeuren! Moest 's konings oog niet flikkeren van blijdschap bij zulk een godswoord ? Maar neen, ongeloovig blikt hij den profeet aan, en deze acht het noodig er de waarschuwing aan toe te voegen: vertrouwt gij niet, dan houdt gij het niet!

Vertrouwen, vertrouwen op Jehova — dat is de gedachte die in die bange dagen Jezaja's gemoed vervult. Indien de koning en zijn volk eens daartoe te bewegen waren, om in dat vertrouwen hun kracht te zoeken, om geen andere toevlucht te begeeren, geen ander houvast aan te grijpen dan de hulp, het heil van Jehova, hun God! Indien zij Hem eens op deze wijze wilden eeren! Want wat grootere eer

Sluiten