Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aars van den anderen kant, uit het Noorden en Noordoosten. Thans was het Assyrië dat zijne soldaten uitzond jaar op jaar, en zij naderden al dichter en dichter Kanaan, begeerig naar het Westen, naar de kusten der Middellandsche zee, begeerig naar Egypte zelfs, de dapperen, de onverzinnelijken, onweerstaanbaar als de golven die in dolle vaart worden voortgestuwd. Hoort hoe onze profeet het kende, dat volk van Assur: (5: 26 vv.).

„Zie, weldra komt het met vluggen tred;

„er is geen vermoeide onder, noch een die struikelt; „het sluimert nog slaapt;

„de gordel om zijne lenden wordt niet losgemaakt;

„de riem van zijn schoeisel niet ontgespt.

„Zijue pijlen zijn gescherpt en al zijne bogen gespannen:

„de hoeven zijner paarden zijn steenhard;

„zijne raderen als een wervelwind.

„Z\jn gegrom gelijkt op dat der leeuwin;

„hjj gromt als de jonge leeuwen;

„hij brult, grijpt zijne prooi,

„bergt haar en niemand ontrukt ze hem."

Toen Jezaja als profeet optrad, had Kanaan van de Assyriërs nog niet veel te lijden gehad. Door vrijwillige onderwerping en betaling van schatting aan Tiglath-Pileser hadden enkele jaren vroeger Menahem, de koning van Efraïm, en andere Kanaanietische vorsten hun land vrijgehouden van de ellende van een inval der Assyrische soldaten. Doch het gevaar van

Sluiten