Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wetende: de vijanden mogen komen tot aan, niet tot in Jeruzalem. Zij mogen niet verder, zij kunnen niet verder. Mogen niet, kunnen niet? Gewisselijk niet, wat zoudt gij snoevende Assyriërs ? Gij zijt niet meer dan een stok in de hand mijns Gods, en wat kan een stok, als de hand die hem hield, hem wegwerpt?

Gij bemerkt dus, hoe de groote waarheid die aan de ziel van onzen profeet was geopenbaard, die hem door de hemellingen zelf was voorgezongen, — hoe die waarheid van de heiligheid, de heerlijkheid Gods hem tot licht en steun was. Zij deed hem de dingen der wereld zien in hun ware grootte en rechte beteekenis, zoodat hij er niet verschrikt tegenover stond. Dat was wat hem onderscheidde van zijne medeburgers. Zij ook voorzagen, vreesden wel, dat er te eeniger tijd gevaar zou dreigen van die onverwinlijke vijanden, — om dat te voorspellen, behoefde men nog geen profeet te zijn — maar zij zagen er God, hun God niet in. Zij verstonden niet, dat Jehova in deze dingen tot hen kwam en tot hen sprak. Dat is de doorgaande grief van Jezaja, dat de stompzinnigheid, de goddeloosheid die hij zijnen tijdgenooten telkens verwijt. (5 : 12, 9 : 12, 10 : 20, 17 : 7, 22 : 11, 29 : 23, 31 : 1). Zij zien het gevaar en werpen een angstigen blik naar de zwakke punten van de bolwerken der stad, maar zij zien niet naar Hem die het alles doet en het van voor lang besloot. En wat is hiervan het

Sluiten