Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Edorn en Moab, de gezanten samenkomen en in liet kabinet des konings het plan van den opstand wordt

beraamd. (

In zulke dagen verplaatsen ons de capp. 28 32 van het boek Jezaja. Het is niet met volkomen zekerheid uit te maken, uit welk jaar die profetieën zijn. De meeste geleerden plaatsen ze in het midden van Hizkia's regeering, omstreeks den dood van Sargon (705 v. Chr.), maar zij kunnen ook wel ouder zijn. Doch hoe dit zij, oogeublikken als daarin verondersteld worden, kunnen te dier tijd in Jeruzalem telkens

zijn voorgekomen.

Er is in den ministerraad des koning? besloten de hulp van Egypte te vragen. Een gezantschap met kostbar e geschenken is reeds door de woestijn in het Zuiden naar den Nijl getogen, misschien heeft Farao zijn woord gegeven, maakt hij reeds een begin met de krijgstoerustingen. Vandaar in Jeruzalem niet weinig zelfvoldoening bij de groote heeren over het welgelukte plan van, naar zij meenen, uitnemende staatsmanswijsheid. Wel wetende echter, hoe Jezaja over deze dingen dacht, en heimelijk bevreesd voor zijn toorn, heeft men alles zoo lang mogelijk voor hem verborgen gehouden. En met reden! Gij moet nalezen, hoe hij, zoodra het hem ter oore komt, zijne verbolgenheid uitgiet over Juda's staatslieden. Hard, scherp klinkt wederom zijn: wee, wee! over hen en hun plan en hun inzicht.

Sluiten