Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verlaten, stond Juda alleen tegenover den toorn en de wraak van den geweldenaar.

Schrikkelijk had het ongelukkige landje te lijden. Wij hooren er op een van zijne monumenten Sanherib zeiven nog over pochen: „Ik viel Hiskia van Juda „die zich niet onderworpen had, aan en nam 46 „vestingen, burchten en kleine steden in. Ik voerde „200150 menschen, groot en klein, van het mannelijk „en vrouwelijk geslacht, een menigte paarden, jonge „stieren, ezels, kameelen, ossen weg. Hiskia zeiven „sloot ik te Jeruzalem in als een vogel in zijn kooi. „Ik richtte wallen tegen hem op. Zijne steden wier „bewoners ik gevangen maakte, scheidde ik af van „zijn gebied en gaf ze aan Mitinti, den koning van „Asdod, Padi, den koning van Ekron, en Zil-Bel, den „koning van Gaza, en verkleinde alzoo zijn land. Bij „de vroegere schatting die ik hem opgelegd had, „voegde ik nog een andere."

Zoo was eindelijk het oordeel over Juda losgebroken. Door Jezaja zoo lang verwacht en vaak gedreigd, maar telkens uitgesteld, — nu was het gekomen. Veertig jaar lang had hij gewaarschuwd, doch men had niet geluisterd noch zich bekeerd: nu was de slag gevallen. Dit was de tijd waarvan hoofdstuk I spreekt, toen het land een wildernis was en vreemden de akkers verteerden, en Sions dochter was overgebleven als een hutje in den wijngaard, als een wachthuisje in den komkommerhof, als een belegerde

Sluiten