Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

glans van zijn troon. Nog een enkele maal verheugde een kortstondige opflikkering de harten, maar nu, in de dagen van den profeet Micha, ging ook de laatste schijn van glorie achter al somberder wolken schuil. Het werd nu inkrimping der grenzen, en terugtrekken al meer voor een oppermachtigen vijand, in hope-

loozen strijd!

Amos en Hozea hadden er van geprofeteerd, er mee gedreigd, Micha evenwel zag het voor zijn oogen, en dat is toch nog heel iets anders. De moeder kan het ongehoorzame kind scherpelijk met booze woorden dreigen, maar als het er op aankomt, dat zij moet zien, hoe een ander de gedreigde straf voltrekt, — neen, dan houdt zij het niet uit, dan werpt zij zich tusschen den beul en haar kind. Zoo ging het de profeten, die hun volk zoo innig liefhadden, toen het oordeel, al zoo lang in woorden vol verontwaardiging over Israëls zonden door hen aangekondigd, inderdaad kwam. Micha tenminste jammert en weeklaagt, nu de plage gekomen is tot Juda toe, ja tot aan de poort zijns volks, tot aan

Jeruzalem (1:8, 9).

Tot aan Jeruzalem! Ja, dit is juist de ernst des tijds: het laatste bolwerk loopt gevaar, niets blijft meer over dan dit eene, en zal dat kunnen standhouden? Dit is nu de vraag waaraan alles hangt: het behoud van land en volk, ja meer nog in het oog van den vromen Israëliet, waaraan hangt de eere

Sluiten