Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI.

ZEFAN J A.

(Ongeveer 630 vóór Glir.).

Wie, met weinig muzikaal gehoor begaafd, neerzit onder de uitvoering van eenig meesterwerk van toonkunst, hij moge hier en daar geroerd worden, de diepere bedoeling blijft hem vreemd, het is hem met meer dan klankenspel. Hooger genot is hem bereid die de z i e 1 der muziek kan gevoelen; dezelfde geest der muziek welke den toondichter bezield heeft, zal onder het hooren ook hem aangrijpen; wat voor den ander slechts een wonderlijke mengeling van klanken is dat spreekt tot hem, en zoo hem tegelijk de gave der poëzie is bedeeld, dan weet hij in woorden weer te geven wat de meester in tonen heeft uitgedrukt. Hij zou den tekst kunnen dichten bij de muziek.

Vergelijk de geschiedenis der menschheid met een arootsche muzikale schepping, en gij kunt zeggen: de profeten van Israël zijn de dichters, die er den tekst bij geschreven hebben. Zij verstaan de bedoeling,

Sluiten