Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spreken, ons te verbeelden, dat juist de schrik, door die Scythen gewekt, en daarbij de ernstige tual van deze twee profeten de harten van koning en volk gewillig heeft gemaakt om spoedig daarop alles te reformeeren naar het toen gevonden wetboek. En kan dan de Heer op die bekeering het heden der genade voor zijn volk niet weer verlengd hebben?

Doch hoe dit zij, — Zefanja moge in de naderende vijanden de Scythen gezien of reeds de Chaldeën, die straks op het tooneel zouden verschijnen, vermoed hebben, — in elk geval, hij ziet gevaar. Hij hoort sombere muziek, bazuingeschal en krijgsgeschreeuw, en hij verstaat het: „de Dag des Heeren! Jehova, die komt ten gerichte!" Er zijn er die trachten hun angst weg te lachen; er zijn er die bezwijmen van vrees: de profeet ziet het alles met den rustigen ernst van het geloof, hetwelk den eeuwigen achtergrond, de goddelijke beteekenis der dingen kent.

De dag des Heeren! Een dag van gericht over Israël en de volken! Gericht over de afgoden, over den hoogmoed, over den leugen! Het is den profeet als hoort hij een treurmarsch, somber, dreigend als dof tromgeroffel: de menschheid die hare dooden ten grave draagt: alle afgoden waarop zij ooit vertrouwde; de menschheid die daar staat, handenwringend en weeklagend, bij het graf, waarin wegzinken al hare verwachtingen, gebouwd op zilver en goud, op leugen en geweld, op hoogmoed en eigen kracht.

Sluiten