Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewerken: hij doorreisde steden en dorpen om den eisch van Jehova's wet den menschen in te scherpen (11:1— 8), maar of hij tevreden was? Ja, men offerde niet meer op de hoogten, men had op het oogenblik geen andere goden voor des Heeren aangezicht, men liep druk naar den tempel en was niet karig met de offers (6:20, 7: 2, 10), doch al deze godsdienstigheid bedekte voor het oog des proleten het zedenbederf des volks niet. Hij zag nog al te duidelijk het overspel en de hoererij, het bedrog en het onrecht jegens den wees en den arme (5:7, 8, 26—28), het ge°mis van waarheid en oprechtheid (9 : 4—8) — moest God over al deze dingen geene bezoeking doen (5:9,29; 9:9)7 En zoo ging Jeremia door, meer dan twintig jaren langi te getuigen tegen de zonden en te dreigen

met het oordeel Gods.

Maar men liet hem praten. Wat sprak hij van oordeel! Leefde men niet gelukkig en gerust onder zijn vromen koning Jozia? Van wien had men iets te vreezen? Het Assyrische rijk lag op sterven en de Scythen waren weer onder den horizon verdwenen en Juda was nu sterk genoeg om zijne naaste buren als Edom en het Filistijnsche ontzag in te boezemen. Men liet dus dien ongeluksprofeet loopen en luisterde liever naar die andere profeten welke vrede, vrede riepen (5:31; 6:14). Zulke waren er velen, die, tevreden met de uitwendige vroomheid, meenden, eveneens in den naam van Jehova, het volk te mogen

Sluiten