Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op de straten van Jeruzalem staat Jeremia tegenover zijn volk met een woord hard als graniet, maar in de binnenkamer vereenzelvigt hij zich met zijn volk en vindt woorden van teedere, roerende smeeking om ontferming voor de schuldigen (14:7, 8,9enz.):

„Hoewel onze ongerechtigheden tegen ons getuigen, „o Heere, doe het om uws naams wille;

„want onze afkeeringen zijn menigvuldig,

„tegen u hebben wij gezondigd....

..gij zijt toch in het midden van ons, o Heer,

„en wij zijn naar uw naam genoemd,

„verlaat ons niet."

Dat is niet de man die voor zijn genoegen een ander het leven vergalt met onheilsboodschap, hij had den dag des jammers niet begeerd (17: 16). Hoe gaarne zoude hij met de anderen mee vertroostend, opbeurend, geruststellend gesproken hebben, maar hij kon niet.

En waarom niet? Omdat de wet zijns Gods, omdat God zelf hem te heilig was. Omdat zijne ziel te zeer vervuld was met het besef van de zedelijke hoogheid van Jehova, daarom kon hij niet gelooven, dat diens zegen rusten zou op een volk 't welk overspel en onrecht en leugen in zijn midden kweekte. Hoog dacht Jeremia van de majesteit van Israëls God: Hij kan dat alles niet door de vingeren zien, er geen vrede mee hebben. De andere profeten van zijne dagen mochten meenen: als het er op aankomt, zal

Sluiten