Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als 't ware over dezen heen, omdat hij zoo hoog stond, op de hoogte van het: zijt heilig want ik ben heilig.

En beter zulk eene ontevredenheid dan een optimisme dat uit gemakzucht, zedelijke traagheid geneigd is genoegen te nemen met den feitelijken toestand. Wij kunnen zoo begrijpen, dat ieder die gunstiger oordeelde over het volk van Juda aanstonds bij onzen profeet verdacht was als die den eisch Gods te na kwam. Die straf en oordeel predikt, hem erkent hij daarom alleen reeds als een gezondene van Jehova, maar die van vrede durft spreken, moet wachten op de vervulling van zijn woord, eer hij hem aanneemt (28:8, 9). Hij gruwt van dat zoetsappige: is dan des Heeren Woord niet aan een vuur gelijk en aan een hamer die een rotssteen vergruizelt ? (23:29). Hij toornt tegen die predikers die door hunne geruststellende woorden der kwaaddoeners handen stevigen: wanneer zij profeten zijn, laat hen dan het volk terug brengen van zijn verkeerden weg; dit alleen en niet wat zij met veel ophef bazelen van de droomen welke zij gehad hebben, zal bewijzen, dat Jehova hun zich waarlijk heeft geopenbaard (23:14, 17,21—32). Een profeet moge zich beroepen op bovennatuurlijke openbaringen als droomen, gezichten en diergelijke, Jeremia erkent geen anderen lastbrief als echt behalve dezen dat de man ernst make met gerechtigheid en waarheid. Hij meet menschen en dingen altoos slechts met éénen maatstaf: Gods heilige wil.

Sluiten