Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ziet — het is het begin der regeering van koning Jojakitn — op zekeren dag stroomen de voorhoven van Jeruzalem's tempel vol van pelgrims uit alle steden en dorpen van Juda. Het is een publieke biddag en zij komen om zich hier voor Jehova neder te werpen. Want er is wel vrees in de harten voor de dingen die komen, de geruste dagen onder Jozia zijn voorbij en men lacht niet meer zoo schamper om den profeet die van onheil spreekt. Doch hier in den tempel voelt men zich veilig: dit is toch de heilige stad, dit is des Heeren tempel, des Heeren tempel, des Heeren tempel, zoo wordt men niet moede ter geruststelling te herhalen. Wat er gebeure, wat kwaad er kome — hier zet nooit de vijand den voet, hier zal het kwaad ons nimmer bereiken, zoo bidt men, zoo hoopt men, zoo vertrouwt men: dat kan de Allerhoogste nooit toelaten, dat het huis, naar zijn naam genoemd, door heidenhanden zou worden ontwijd. En de offers rooken, de psalmen ruischen, de gebeden stijgen ten hemel: de zekerheid van Gods nabijheid verruimt weer de harten. Schoone hoop! Heerlijk geloof! En immers, nooit kan 't geloof te veel verwachten!

Maar, wie beklimt daar met gefronst voorhoofd den tempelberg? Wie gaat daar staan bij de poort van het voorhof en spreken, toorn in het oog, toorn in de stem? En hoort die woorden, hoe zij als knetterende hagel neervallen op de zingende en biddende

Sluiten