Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dragelijk: zij kregen waarschijnlijk hier en daar landerijen ter bebouwing om zelf in hun onderhoud te voorzien; zij mochten wel in gedeelten blijven samenwonen, koloniën vormend met eenig zelfbestuur onder hun eigen oudsten, zooals zij in het vaderland hadden gekend, zij mochten eigen huizen bouwen en eigen hoven planten en konden door onderlinge huwelijken weer gezinnen gaan stichten. (Jerem. 20: 4 vv.). Uiterlijk hadden zij het dus nog niet zoo kwaad, maar o, het heimwee dat hen verteerde! „Indien ik u vergeet, o Jeruzalem, zoo vergete mijne rechterhand zich zelve!"

Is 't wonder, dat velen er niet aanstonds toe komen konden zich daar in den vreemde in te richten voor langer verblijf? De lust ontbrak om huizen te bouwen en tuinen te planten, en ook.... de hoop was nog niet geheel uitgebluscht. Zij konden 't nog niet aannemen, dat het nu werkelijk waar was, dat Jehova hen geheel in de hand van den heiden had overgegeven en hen in diens hand zou laten. Het kon niet zijn: de verlossing moest nabij wezen! En profeten traden op in hun midden, in die eerste jaren der ballingschap, profeten die vleiden: slechts een paar jaren en dan worden wij weer vereenigd met onze broeders in Jeruzalem! (Jerem. 29:15, 21). Zoo onuitroeibaar was in hun hart het geloof en de hoop; zoo moeilijk was het zelfs voor die ballingen werkelijk te gelooven aan het oordeel Gods over zijn schuldig

Sluiten